Gras inkuilen doe je goed als je werkt met een drogestofgehalte van 30 tot 45 procent in de kuil, het gewas homogeen voordroegt, laag voor laag goed aanrijdt en de kuil direct luchtdicht afsluit. In 2020 was dat makkelijker gezegd dan gedaan: zomerkuilen hadden gemiddeld een drogestof van ruim 50 procent en een historisch hoge broei-index van 40, wat betekende dat broei en kwaliteitsverlies op de loer lagen. Met de juiste aanpak en een beetje discipline in je werkproces kun je die risico's flink beperken, ook als de omstandigheden tegenzit.
Gras inkuilen 2020: stappenplan, drogestof en fouten voorkomen
Waarom gras inkuilen en wanneer: seizoen en de lessen uit 2020
Inkuilen is de meest gebruikte manier om gras te bewaren voor de winterperiode of droge zomers. Door het gras in een zuurstofarme omgeving te fermenteren, blijft de voederwaarde behouden. De timing van maaien is daarbij bepalend: te vroeg maaien geeft te nat gras met risico op boterzuurvorming, te laat of te heet voorgedroogd gras wordt te droog en is moeilijk aan te rijden.
In 2020 was het zomerseizoen droog en warm, wat resulteerde in zomerkuilen met een gemiddeld drogestofgehalte van ruim 50 procent en een suikergehalte van circa 90 gram per kilogram droge stof. Dat klinkt positief (veel suiker, veel energie), maar die combinatie leverde ook een gemiddelde broei-index van 40 op, wat officieel valt in de categorie 'zeer broeigevoelig'. Ter vergelijking: een broei-index van 35 of hoger geldt al als broeigevoelig. De conserveringsindex van zomerkuilen in 2020 scoorde gemiddeld slechts 85, wat laag is. Wie in 2020 inkuilde (of in vergelijkbare droge zomers) moest dus extra maatregelen nemen om broei en kwaliteitsverlies te beperken.
De beste periode voor de eerste snede in Nederland is doorgaans eind april tot begin juni, afhankelijk van het gewasgewicht en de weersomstandigheden. Voor de tweede en latere sneden geldt: zodra het gewas voldoende massa heeft opgebouwd en het weer een droogperiode van minimaal twee tot drie dagen toelaat. Bij verregend gras geldt: zo snel mogelijk inkuilen om verdere kwaliteitsverliezen te voorkomen.
Het juiste drogestofgehalte bepalen: meten en richtwaarden

Het drogestofgehalte (DS%) is de belangrijkste stuurvariabele bij inkuilen. Te nat gras (onder 30 procent DS) zorgt voor sapverlies, risico op boterzuurfermentatie en nutriëntenuitloging. Te droog gras (boven 45 tot 50 procent DS) is moeilijk aan te rijden, conserveert slecht omdat er onvoldoende azijn- en melkzuur gevormd wordt, en is gevoelig voor broei bij kuilopening.
| Situatie | Gewenst DS-gehalte | Risico bij afwijking |
|---|---|---|
| Eerste snede, grof gras | 35–40% | Te nat: boterzuur / Te droog: broei |
| Eerste snede, fijn gras | 40–45% | Te droog: moeilijk verdichten, broei |
| Tweede en latere sneden | 30–40% | Te nat: sapverlies, boterzuur |
| Zomerkuil (droog jaar) | Streef naar max. 45% | Boven 50%: zeer hoge broei-index |
De meest betrouwbare methode om DS% te meten is een laboratoriumanalyse via bijvoorbeeld Eurofins Agro (VersgrasCheck). In de praktijk wordt ook de 'knijptest' of een mobiele vochtmeter gebruikt als snelle indicatie. Bij de knijptest: pers een handvol voorgdroogd gras stevig samen. Komt er geen sap uit en valt het weer uit elkaar, dan zit je waarschijnlijk rond 35 tot 40 procent DS. Druipt er sap, dan ben je te nat (onder 25 procent). Houd bij het beoordelen rekening met dat dit een ruwe schatting is; een labanalyse geeft zekerheid.
Een pH van 5,2 of lager in de kuil is het teken dat de conservering goed is verlopen. Bij hogere pH-waarden is fermentatie onvoldoende geweest, wat duidt op te droog gras, te weinig suikers of ongewenste bacteriegroei. Een goede pH in graskuil ligt idealiter tussen 4,5 en 4,9, afhankelijk van het DS-gehalte.
Maaien, zwad vormen en voordroogproces: een weerafhankelijk stappenplan
Het voordroogproces bepaalt in grote mate het uiteindelijke drogestofgehalte bij inkuilen. Werk je dit slordig af, dan kun je nog zo'n goede kuil willen maken, maar het resultaat valt tegen. Hieronder het stappenplan voor de praktijk.
- Maai bij droog weer, bij voorkeur vroeg in de ochtend als de dauw weg is, zodat het gras direct kan beginnen met drogen.
- Spreid het gras zo breed mogelijk uit (schudden) om de verdamping te maximaliseren. Breed zwad = sneller drogen.
- Controleer elke vier tot zes uur het drogestofgehalte met de knijptest of een vochtmeter.
- Schud eventueel een tweede keer als het gras nog te nat is, maar pas op: overmatig schudden geeft bladverliezen en daalt de voederwaarde.
- Draai het gras samen in het zwad zodra het DS-gehalte in de buurt van je doeloptimaum komt (35–40% voor de meeste situaties).
- Bij dreigend regenweer: liever iets te vroeg inkuilen (rond 28–30% DS) en een inkuilmiddel toevoegen, dan wachten en nat gras inkuilen.
- Verregend gras zo snel mogelijk inkuilen om verdere verliezen te voorkomen; gebruik dan zeker een conserveringsmiddel.
In een jaar als 2020 met weinig neerslag en veel zon droogt gras razendsnel voor. Het risico is dan dat je te lang wacht met inkuilen en boven de 45 procent DS uitkomt. Terwijl je bij een droge zomerperiode extra op tijd moet letten, geldt dat ook in gras inkuilen 2023: stuur op DS, aanrijden en een snelle luchtdichte afsluiting. Controleer in droge periodes vaker dan normaal, soms al na twee tot vier uur na het maaien. Het gras maait het rijdend weg als het te droog wordt.
De kuil maken: persen, verdichten en luchtdicht afdekken

Een goede verdichting is de basis van een kwalitatieve kuil. Zuurstof is de vijand van conservering: elke luchtzak in de kuil is een broeinest. Verdicht het gras laag voor laag, liefst in lagen van maximaal 20 tot 30 centimeter, en rij meerdere keren over elke laag met een zo zwaar mogelijke trekker.
- Haksellengte: bij een DS van 35–40% is een haksellengte van circa 5 cm geschikt. Bij droger gras (40–45%) kun je iets korter haksen (rond 5 cm of korter) voor betere verdichting.
- Laagdikte: breng het gras aan in dunne lagen (20–30 cm) en verdicht elke laag volledig voor je de volgende aanbrengt.
- Rijgewicht: gebruik de zwaarste beschikbare trekker. Meer gewicht = betere dichtheid. Richtlijn voor rijkuil: streef naar minimaal 200 kg droge stof per kubieke meter.
- Zijkanten: besteed extra aandacht aan de randen, want die zijn altijd het probleem. Rij bewust de randen af en verdicht ze goed.
- Afdekken: sluit de kuil direct luchtdicht af zodra je klaar bent met vullen. Wacht niet tot de volgende dag.
Voor het afdekken gebruik je idealiter een combinatie van een dunne onderdoek (zuurstofbarrièrefolie) direct op het gras, gevolgd door een stevige buitenfolie. Druk de folie goed aan de randen af met grond, zandzakken of oude banden. Losse randen zijn de meest voorkomende oorzaak van randbroei en schimmel. Controleer de folie direct na het afdekken op scheuren of gaten en plak die direct af met silagefolie-tape.
Kuilkwaliteit beoordelen en problemen oplossen
Na vier tot zes weken is de kuil in principe stabiel geconserveerd. Maar problemen ontstaan soms pas later, bij de opening of tijdens het voeren. Hier zijn de meest voorkomende issues en hoe je ze herkent.
Broei en warmte
Broei herken je aan een verhoogde temperatuur in het voerfront (hand-warme of dampende kuil), een muffige geur en verkleuring van het kuilvoer (bruinig, donkerder dan normaal). In 2020 was dit het meest voorkomende probleem: te droge zomerkuilen met een hoge broei-index. Preventie achteraf is niet meer mogelijk, maar schade beperken kan wel: houd de voersnelheid hoog (meer dan 15–20 centimeter per dag bij warm weer), laat het gronddek zo lang mogelijk liggen en verwijder direct al het aangetaste materiaal.
Schimmel

Zichtbare schimmelplekken zijn bijna altijd het gevolg van luchtinsluiting, losse randverdichting of folieschade. Verwijder de aangetaste laag volledig en gooi die weg. Gebruik de kuil daarna zo snel mogelijk op. Bij herhaalde schimmelvorming is de verdichting of de afdekking onvoldoende geweest bij de volgende kuil.
Sapverlies
Sapverlies treedt op bij gras onder 25 tot 30 procent DS. Het sap loopt letterlijk uit de kuil en neemt waardevolle eiwitten en suikers mee. Een kuil met sapverlies ruikt zuur en scherp. De oplossing voor de toekomst: meer voordroog tijd nemen of een inkuilmiddel toevoegen dat de fermentatie versnelt voor het gras te nat is.
Te droge kuil
Een kuil met meer dan 50 procent DS is onvoldoende geconserveerd via fermentatie omdat de watermassa te laag is voor voldoende zuurproductie. De pH blijft te hoog, conservering is matig en broeirisico bij voeren is groot. Bij het openen van zo'n kuil werkt gewicht op het voerfront (bijv. een stapel banden) als tijdelijke maatregel om herkristallisatie en broei te vertragen.
Boterzuur
Een boterzuurige kuil ruikt als rotte boter of vuile sokken en is te herkennen aan een slijmerige textuur en een pH die boven de 5 blijft. Risicofactoren zijn: DS onder 35 procent zonder toevoeging van een conserveringsmiddel, onvoldoende verdichting en heterogeen gras (natte plukken naast droge delen). Bij hoge NH3-fractie (boven 12 procent van het totaalstikstof) en een hoge pH is boterzuurvorming vrijwel zeker. Verwijder aangetaste plekken volledig; voer geen boterzuurige kuil aan drachtige of recent gekalfde koeien.
Additieven: wanneer heeft het nut en waar let je op?
Inkuiladditieven zijn geen verplicht onderdeel van elk inkuilproces, maar in specifieke omstandigheden zijn ze het verschil tussen een goede en een slechte kuil. In 2020 adviseerden meerdere bronnen bij droge zomerkuilen (met DS boven 45 procent) het gebruik van een inkuilmiddel voor snellere pH-daling, juist omdat suiker en hoge temperaturen boterzuur- en broeirisico verhogen.
| Situatie | Additief nuttig? | Type additief | Aandachtspunt |
|---|---|---|---|
| DS < 30%, risico op boterzuur | Ja | Melkzuurbacteriën (homo-fermentatief) | Zorg voor goede verdeling over het gras |
| DS > 45%, risico op broei | Ja | Broeiremmer (bijv. propionzuurgebaseerd of hetero-fermentatief) | Bij droog gras vloeibaar doseren voor betere verdeling |
| DS 30–45%, normaal jaar | Optioneel | Melkzuurbacteriën als extra zekerheid | Niet altijd noodzakelijk bij goede verdichting |
| Verregend of verontreinigd gras | Ja | Melkzuurbacteriën + eventueel zuur | Hogere dosering bij mestresten of kale grond |
Bij droog gras zijn vloeibare additieven beter dan droge korrels, omdat korrels bij een DS boven 40 procent moeilijk gelijkmatig te verdelen zijn. Doseer altijd volgens de aanbeveling van de fabrikant en controleer of de pomp of doseerunit goed is afgesteld voor de aanvoersnelheid van de hakselmachine.
Gebruik geen additieven als vervanging voor een goede voordroging of verdichting. Ze zijn aanvullend, niet compenserend. Een slecht aangereden kuil met additief geeft nog steeds problemen.
Checklist, nazorg en veilig voeren uit de kuil
Inkuilen is ook een veiligheidskwestie. Rijkuilen en sleufsilo's kunnen gevaarlijk zijn bij betreding of instabiele wanden. Hier is de volledige checklist van maaien tot voeren.
Checklist inkuilen van A tot Z
- Controleer DS% van het gras voor inkuilen (richtwaarde: 35–40% voor de meeste sneden).
- Maai alleen bij droog weer; spreid het gras breed uit voor voordroog.
- Controleer het voordroogproces elke 4–6 uur in warm/droog weer.
- Haks op de juiste lengte: circa 5 cm voor normaal gras, iets korter bij droger materiaal.
- Breng gras aan in dunne lagen van maximaal 30 cm en rij elke laag goed aan.
- Verdicht de zijkanten extra zorgvuldig.
- Doseer een additief als de omstandigheden dat vereisen (te nat, te droog, verontreinigd gras).
- Sluit de kuil direct luchtdicht af met onderdoek plus afdekfolie.
- Druk de randen goed af met grond, zandzakken of banden.
- Controleer de folie direct op gaten en repareer direct.
- Leg extra gewicht op de kuil, zeker bij warm/droog weer of hoge DS%.
- Betreed de kuil nooit alleen en let op de stabiliteit van de wanden bij sleufsilo's.
Nazorg en voersnelheid

Na het afdekken is de hoofdtaak controleren. Loop wekelijks langs de kuil om de folie te inspecteren op scheuren, opdrijven of vogelbeschadiging. Repareer altijd direct. Laat het gronddek aan de zijkanten zo lang mogelijk intact; verwijder alleen het strikt noodzakelijke deel bij het voeren.
Wanneer je de kuil opent, is voersnelheid de belangrijkste maatregel om broei te beperken. Eurofins Agro koppelt de conserveringsindex aan praktijkadviezen zoals zorgen voor blank" rel="noopener noreferrer">voldoende voersnelheid om broei en kwaliteitsverlies te beperken. In warme periodes of bij broeigevoelige kuilen (DS boven 45 procent, zoals veel 2020-kuilen) houd je een minimale voersnelheid aan van 15 tot 20 centimeter per dag. Houd in 2025 extra scherp de omstandigheden en drogestof in de gaten, zodat je kuil niet te broeigevoelig wordt broeigevoelige kuilen. Snijd het voerfront recht af, verwijder geen grotere laag dan je op één dag voert, en leg een foliestuk terug over het open front als je klaar bent met het uithalen.
Vergeet ook niet de kuilkwaliteit te laten analyseren bij Eurofins Agro of een vergelijkbaar lab. Een analyse geeft je pH, DS%, eiwitgehalte, NH3-fractie, boterzuurgehalte en voederwaarde. Dat zijn de cijfers waarmee je de volgende kuil kunt bijsturen, of het nu 2020 is of een ander jaar met vergelijkbare uitdagingen. In 2024 is het extra belangrijk om je planning en vochtgehalte goed af te stemmen op het weer, zodat je de kuil luchtdicht en stabiel houdt gras inkuilen 2024.
De aanpak die in 2020 werkte bij droge zomerkuilen is in feite hetzelfde principe als voor elke uitdagende inkuilsituatie: stuur op drogestof, verdicht goed, sluit luchtdicht af en houd de voersnelheid hoog. Of je nu kijkt naar adviezen uit 2020, 2021 of recentere seizoenen, dat basisrecept verandert niet. In het seizoen van 2021 kwamen dezelfde uitgangspunten terug: stuur op een goed drogestofgehalte, verdicht goed en sluit de kuil direct luchtdicht af.
FAQ
Is gras inkuilen in 2020 ook haalbaar als ik niet precies tussen 30 en 45 procent drogestof uitkom?
Ja, maar je moet dan compenseren in je werkwijze. Lukt DS niet, richt je dan extra op homogene voordroging en extreem zorgvuldig aanrijden (geen luchtinsluiting, laag voor laag). Bij structureel te droge opbrengst (richting 50 procent DS) wordt broeirisico bij het voeren dominant, dus plan een hogere voersnelheid en houd de kuilafdekking perfect strak.
Hoe vaak moet ik de drogestof meten als het in de zomer net als in 2020 snel droogt?
Meet vaker dan je vaste schema zegt. In droge periodes kan de DS al binnen 2 tot 4 uur merkbaar opschuiven, dus controleer per perceel of zelfs per hakselbeurt. Gebruik labanalyse voor kalibratie, maar zet voor de dagelijkse sturing een snelle methode (knijptest of mobiele vochtmeter) in met dezelfde grasstroom als referentie.
Wat is de beste manier om problemen te voorkomen als het gras niet homogeen is (natte plukken naast drogere delen)?
Zorg dat je de hakselaar en doorstroom zo “gemengd” mogelijk houden (vermijd dat natte plekken apart of te lang blijven liggen). Controleer vóór het aanrijden of je DS-variatie groot is, en verdicht extra intensief op de zones waar je meer sap of klontervorming verwacht. Heterogeen gras verhoogt vooral risico op boterzuur en lokale broei bij het voeren.
Wanneer is het beter om langer voor te drogen, en wanneer juist niet?
Langer voordrogen is alleen zinvol als het gras nog goed aanrijdbaar blijft en je niet boven de 45 tot 50 procent DS uitkomt. Als je ziet dat het snel richting “te droog” gaat, maak dan prioriteit van tijdig inkuilen en een snelle luchtdichte afsluiting, ook al betekent dat iets minder voordroogmarge. Te lang wachten maakt verdichten moeilijk en verhoogt broei bij openen.
Kan ik een inkuilmiddel gebruiken als ik toch te nat gras inkuil?
In de praktijk kun je additieven inzetten om te nat gras te helpen, maar ze vervangen geen goede voordroging en verdichting. Kies een middel dat past bij je situatie (te nat versus te droog), doseer strikt volgens de voorschriften en controleer of de installatie correct is afgesteld op de aanvoersnelheid. Als het gras structureel te nat blijft, is je basisstap (maaitiming en voorspoeling) waarschijnlijk de grootste hefboom.
Wat moet ik doen als ik na het afdekken toch schade aan de folie zie?
Repareer direct, niet pas later. Zoek de plek op, plak het gat of scheur met de juiste silagefolie-tape en controleer meteen de aansluitingen aan randen en overlappingen. Inspecteer ook de eerstvolgende dagen opnieuw, want bij opdrijven of slecht afgewerkte randen kan luchtinsluiting al snel lokaal schimmel veroorzaken.
Welke voersnelheid is echt nodig bij een broeigevoelige kuil, en hoe meet ik dat op mijn erf?
Houd in warme periodes en bij broeigevoelige kuilen (zoals veel droge zomerkuilen) de praktijkgrens aan van ongeveer 15 tot 20 centimeter per dag. Meet dat door elke uithaalronde te koppelen aan een vaste referentie (bijvoorbeeld een duidelijke markering op het voerfront). Als je slechts één keer per dag voert, moet die ene opname dus groter zijn, anders blijft de kuil fronttijd te lang blootgesteld.
Hoe lang kan ik de kuil open laten staan voordat ik broeiproblemen krijg?
Langer dan wat je dagelijkse voercapaciteit toelaat, vergroot risico. Als het warmer is of je kuil broeigevoelig is, leg dan na elke uithaalactie een foliestuk terug op het open front. Richt je op zo kort mogelijke blootstelling, omdat broei in 2020-achtige omstandigheden snel kan starten en vooral aan de bovenlaag zichtbaar wordt.
Wat is een praktische aanpak om sapverlies te herkennen en het effect op het voer te beperken?
Sapverlies zie je aan een duidelijk zuur/scherp ruikende kuil en natte plekken met uitgelopen sap rond het inkuilpunt of over de folie. Wanneer je dit ziet, voer dan gerichter en sneller om minder “veroudering” van de aangetaste massa te krijgen. Voor de volgende kuil is de kernmaatregel: mik op voldoende DS en voorkom te korte of te trage voordroogtijd, want sapverlies neemt waardevolle nutriënten weg.
Hoe interpreteer ik een pH-waarde die net aan de hoge kant zit, bijvoorbeeld rond 5,1?
Een pH rond 5,1 betekent dat fermentatie minder sterk was dan ideaal. Kijk daarom niet alleen naar één getal, maar koppel het aan DS en het resultaat bij het openen (temperatuur, geur, verkleuring). Als pH hoog en DS relatief droog is, is het broeirisico bij voeren vaak groter, en dan is voersnelheid en afdekking nog belangrijker dan extra “reparaties” achteraf.
Welke labparameters moet ik zeker opvragen naast DS en pH als ik leer van een kuilprobleem?
Vraag naast DS% en pH ook NH3-fractie en boterzuurgehalte op, plus informatie over voederwaarde (en bij voorkeur de conserveringsindicaties die het lab standaard meet). NH3-fractie helpt om te onderscheiden of je te maken hebt met sterk afwijkende fermentatie. Met die set kun je gericht bijsturen op je volgende voordroog- en inkuilinstelling, niet alleen op de timing.
Is het veilig om zelf in een rijkuil of sleufsilo te lopen als ik snel iets moet controleren?
Niet zonder strikte veiligheidsmaatregelen. Instabiele wanden, zuurstofarme zones en plots instorten of wegvallen van materiaal vormen reële risico’s. Beperk betreding, gebruik waar nodig valbeveiliging en werk volgens een interne checklist (en lokale veiligheidsinstructies). Gebruik liever inspectie vanaf de rand en visuele controles over de folie, dan betreding van de kuilruimte.

Praktische gids voor gras inkuilen in 2023: timing, stappen, kwaliteitscheck en fouten voorkomen voor goede conservering

Praktisch stappenplan voor gras inkuilen 2024: timing, kuil vullen, aandrukken, afsluiten en kuilbeheer met fouten en op

Praktisch stappenplan gras inkuilen 2025: oogst, drogestof, inkuilen, afdekken en kwaliteit checken om fouten en verliez

