Ja, gras is ruwvoer. Vers gras, hooi en ingekuild gras (graskuil of voordroogkuil) vallen allemaal onder de categorie ruwvoer, omdat ze van nature rijk zijn aan ruwe celstof en vezels die de penswerking of darmbeweging op gang houden. Het verschil met krachtvoer zit hem precies daarin: krachtvoer heeft een lage structuurwaarde (rond 0,3), terwijl gras een structuurwaarde van 2,6 tot 3,0 kan hebben. Maar of jouw specifieke partij gras ook veilig en geschikt is als ruwvoer, hangt af van de kwaliteit, het drogestofgehalte, de rijpheid en het diersoort dat je voedt. Dat is waar het praktisch wordt.
Is gras ruwvoer? Definitie, geschiktheid en checklist
Wat betekent ruwvoer precies?

Ruwvoer is alle voeding die van nature een hoog gehalte aan ruwe celstof en vezels bevat. Die vezels zorgen voor structuur in de pens of de darm, stimuleren herkauwen en houden de spijsvertering gezond. Zonder voldoende ruwvoer in het rantsoen gaat het mis: de herkauwactiviteit daalt, de pens-pH wordt instabiel en je loopt kans op pensverzuring. Krachtvoer vult het rantsoen aan met energie en eiwit, maar kan structuur nooit vervangen. Een praktische vuistregel: als een koe bij een maal krachtvoer minder dan 60 tot 65 herkauwbewegingen per brok maakt, is er waarschijnlijk te weinig structuur in het rantsoen. Ruwvoer levert die structuur.
In de biologische veehouderij schrijft Skal voor dat minimaal 60% van het rantsoen uit ruwvoer moet bestaan, en dat ruwvoer zowel vers als gedroogd mag zijn. Dat geeft al aan hoe breed het begrip is: alles van vers weidegras tot hooi tot graskuil telt mee als ruwvoer, zolang de vezelfractie hoog genoeg is.
Is gras ruwvoer: vers gras, hooi en ingekuild gras
Alle drie de vormen zijn ruwvoer, maar ze verschillen sterk in samenstelling en praktische toepassing. Als je specifiek gras op stam bedoelt, geldt dat het vooral gaat om de teelt en het beschikbaar stellen van staand gras als ruwvoer binnen je rantsoen. Vers weidegras is het meest eiwitrijke en het minst vezelige van de drie, zeker in het vroege voorjaar. Hooi is gedroogd gras: de voederwaarde daalt iets door het droogproces, maar de structuur neemt toe en de houdbaarheid is veel beter. Graskuil (ingekuild gras) zit qua voederwaarde tussen vers gras en hooi in, en heeft een kenmerkende pH van 4,3 tot 5,2 door het conserveringsproces. Voordroogkuil is graskuil met een hoger drogestofgehalte, gemaakt door het gras eerst te laten voordrogen tot 30 tot 50% droge stof voordat het wordt ingekuild.
| Vorm | Droge stof | Voederwaarde | Houdbaarheid | Structuur |
|---|---|---|---|---|
| Vers gras | 15–25% | Hoog eiwit, veel suiker | Geen (direct voeren) | Laag tot matig |
| Hooi | 85–90% | Lager eiwit, minder suiker | Maanden tot jaren | Hoog |
| Voordroogkuil | 30–50% | Goed, afhankelijk van snede | Maanden (gesloten kuil) | Matig tot hoog |
| Natte graskuil | 15–35% | Wisselend, risico boterzuur | Beperkt na openen | Laag tot matig |
Voor welke dieren en situaties is gras als ruwvoer geschikt (en wanneer niet)
Gras als ruwvoer werkt goed voor melkvee, vleesvee, schapen, geiten en paarden. Maar de geschiktheid verschilt per diersoort, leeftijd en gezondheidssituatie. Hieronder de belangrijkste punten op een rij.
Melkvee en vleesvee

Voor koeien vormt gras (vers, gedroogd of ingekuild) de ruggengraat van het rantsoen. Goed ingekuild gras met een NDF van 420 tot 500 g per kg droge stof en een ADF van 240 tot 290 g per kg droge stof levert voldoende structuur voor een stabiele pensfunctie. Let op bij vers voorjaarsgras: dat is eiwitrijk en suikerrijk, maar arm aan vezel. Door gras voorkiemen of vers te laten kiemen kun je de verteerbaarheid en het voerbeeld beïnvloeden, maar het vraagt ook om extra aandacht voor hygiëne en dosering gras als ruwvoer. Hoog aandeel voorjaarsgras in het rantsoen vergroot het risico op pensverzuring (pensacidose), zeker bij hoogproductieve koeien net na afkalven. Schippers geeft aan dat pensverzuring bij melkvee vooral voorkomt bij hoogproductieve koeien of in de periode net na afkalven, en dat schoon drinkwater en de voer- of rantsoenverhouding (krachtvoer versus rantsoenstructuur) daarbij een rol spelen blank" rel="noopener noreferrer">pensverzuring bij melkvee net na afkalven. Symptomen zijn stoppen met eten, overmatig kwijlen en het verlies van herkauwbewegingen.
Schapen en geiten
Schapen en geiten kunnen goed overweg met gras als ruwvoer, ook als vers gras of hooi. Geiten zijn gevoeliger voor maagdarmwormen dan schapen, dus als je geiten vers gras voert, is het verstandig om jaarlijks de wormsituatie te laten controleren via wormonderzoek. Verder geldt bij biologische schapen en geiten de Skal-norm: minimaal 60% van het rantsoen moet uit ruwvoer bestaan.
Paarden
Paarden zijn dol op gras, maar voorjaarsgras vraagt om voorzichtigheid. Vers voorjaarsgras is mals, suikerrijk en bevat weinig harde stengelstructuur. Dat vergroot het risico op koliek, diarree en bij ponies ook op hoefbevangenheid. Een goede aanpak is weidemanagement: bouw weidegang geleidelijk op in het voorjaar en combineer vers gras altijd met hooi of stro voor extra structuur.
Wanneer is gras als ruwvoer niet geschikt?
- Jonge kalveren in de eerste levensweken: de pens is nog niet ontwikkeld, ruwvoer speelt pas later een rol
- Gras met mestverontreiniging of vervuiling: risico op botulisme via sporen (boterzuurbacteriën) in de kuil
- Natte graskuil met slecht conserveringsproces: boterzuurvorming, schimmel en verhoogde RAS-fractie maken het ongeschikt
- Sterk verouderd of overrijp gras: lage voederwaarde, hoge vezelfractie zonder kwaliteitsvezel
- Gras kort na bemesting: wacht minimaal de voorgeschreven veiligheidstermijn na drijfmest of kunstmest
Kwaliteit bepalen: drogestof, rijpheid, vervuiling en onkruiden
De kwaliteit van gras als ruwvoer hangt af van een aantal concrete meetpunten. Je hoeft niet meteen een laboratorium in te sturen bij elke partij, maar een goede visuele en tactiele beoordeling geeft al veel informatie.
Drogestofgehalte
Voor een kwalitatief goede voordroogkuil streef je naar een drogestofgehalte van 30 tot 50%. Een richtpunt dat in de praktijk veel wordt aangehouden is rond de 40%. Te nat gras (onder de 30% droge stof) conserveert slecht: boterzuurbacteriën krijgen de kans om zich te vermenigvuldigen, de pH daalt onvoldoende en de kuil kan gaan bederven. Je kunt het drogestofgehalte schatten door een handvol gras stevig samen te drukken: loopt er water uit, dan is het echt te nat voor inkuilen.
Rijpheid en maaitijdstip
Vroeg gemaaid gras (jonge snede) bevat meer ruw eiwit en suiker, maar minder ruwe celstof. Later maaien levert grover, structuurrijker gras met een lagere voederwaarde. Voor een goed evenwicht in het rantsoen is de eerste snede van eind april tot begin mei in Nederland doorgaans de beste basis: voldoende eiwitrijkdom met acceptabele structuur. Gras dat al in de aar is geschoten, is te oud voor een kwalitatieve kuil.
Vervuiling en onkruiden
Mestverontreiniging in het gras is een van de voornaamste risicofactoren voor botulisme in kuilvoer. Zorg dat de percelen schoon zijn voor het maaien en vermijd het inkuilen van gras met veel aarde of mest. Wat betreft onkruiden: de meeste gangbare onkruiden in het Nederlandse grasland zijn niet gevaarlijk in kleine hoeveelheden, maar giftige planten zoals jacobskruiskruid (Senecio jacobaea) mogen absoluut niet in het ruwvoer terechtkomen. Controleer percelen voor het maaien.
Schimmel en mycotoxinen
Schimmels in ruwvoer produceren mycotoxinen die gevaarlijk zijn voor dieren. EFSA benoemt mycotoxinen als serieus risico in diervoer. Schimmel ontstaat bij te hoge vochtgehalten, slecht aangereden kuilen of bij broeien na opening. Een kuil met zichtbare schimmel of een afwijkende geur (sterk boterzuur) moet worden afgekeurd, ook al gaat het maar om een klein deel van de partij.
Praktisch: gras oogsten, drogen/inkuilen en veilig voeren
Oogsten en voordrogen
Maai gras bij droog weer en laat het voordrogen op het veld totdat het drogestofgehalte rond de 35 tot 45% zit. In Nederland is dat in het voorjaar (april/mei) en de zomer (juni/juli) het beste te bereiken bij een periode van minimaal twee tot drie droge dagen. Schud het gras regelmatig om het voordrogen te versnellen. Te lang op het veld laten liggen kost voederwaarde door verademing en uitloging bij regen.
Inkuilen
Rij de kuil goed aan voor een hoge dichtheid: hoe compacter, hoe minder lucht en hoe beter het conserveringsproces verloopt. Sluit de kuil luchtdicht af met folie en verzwaar de randen. Een goede pH na conservering ligt tussen 4,3 en 5,2, wat wijst op een goed verlopen melkzuurgisting. Partijen met een afwijkend drogestofgehalte of twijfelachtige kwaliteit (bijv. natte sneden bij slecht weer) kun je het beste apart inkuilen, zodat je die partij apart kunt beoordelen en doseren.
Hooi maken
Hooi maken vraagt meer droog weer dan inkuilen: het gras moet drogen tot minimaal 85% droge stof. In Nederland is dat realistisch van juni tot augustus. Goed hooi ruikt zoet en heeft een groenachtige kleur. Bruin, muf of beschimmeld hooi voer je niet. Hooi is ideaal als structuurbron voor paarden, schapen en geiten.
Veilig voeren in de praktijk

- Open een kuil altijd met een rechte snede en werk van voor naar achteren om broei te beperken
- Voer dagelijks vers van de kuil en laat geen open kuilwanden te lang staan, zeker niet bij warm weer
- Beoordeel elke dag de geur, kleur en structuur van het gevoerde ruwvoer
- Vervang twijfelachtige partijen direct en bewaar ze apart van het gezonde voer
- Wacht de juiste veiligheidstermijn na bemesting af voordat je maait of weidegras laat begrazen
Rantsoen en dosering in grote lijnen: hoe je het inpast
Ruwvoer vormt de basis van het rantsoen, krachtvoer vult aan. Voor melkvee geldt als algemeen uitgangspunt dat ruwvoer (inclusief graskuil) het grootste deel van de droge stofopname levert. De exacte verhouding hangt af van de productie, het lactatiestadium en de kwaliteit van de beschikbare kuil. Een eenvoudige richtlijn: hoe beter de ruwvoerkwaliteit (hoge voederwaarde, goed conserveringsprofiel), hoe minder krachtvoer nodig is.
Voor paarden geldt dat hooi of gras de basis moet zijn van het rantsoen: minimaal 1,5% van het lichaamsgewicht per dag aan ruwvoer (droge stofbasis) is een gangbare ondergrens. Weidegras telt mee, maar is moeilijk exact te kwantificeren. Voor schapen en geiten op biologisch bedrijf: minimaal 60% ruwvoer in het rantsoen, zoals Skal voorschrijft.
Suikergehalte in gras kan sterk variëren per seizoen en tijdstip van de dag. Voorjaarsgras en gras dat in de zon staat te groeien bevat meer suiker dan herfstgras of gras na een bewolkte periode. Dit is relevant voor dieren die gevoelig zijn voor suikerschommelingen, zoals paarden met EMS (equines metabool syndroom) of koeien die net na afkalven zijn. Bij twijfel over suikergehalten kun je denken aan het meten van het suikergehalte in het gras als aanvulling op een standaard voeranalyse.
Checklist en vervolgstappen
Gebruik deze checklist om te bepalen of jouw gras vandaag geschikt is als ruwvoer, en wat je als volgende stap doet als er twijfel is. Let daarom ook op mogelijke aanwezigheid van glyfosaat in gras, vooral als het perceel recent is behandeld glyfosaat gras.
- Controleer het drogestofgehalte: is het gras voor inkuilen voorgedroogd tot 30–50%? Zo niet, kies voor apart inkuilen of hooi maken bij langer droog weer.
- Beoordeel de kwaliteit visueel: geen zichtbare schimmel, geen sterke boterzuurgeur, geen mestverontreiniging en geen giftige onkruiden in het perceel.
- Check het maaitijdstip: is het gras gemaaid voor de aar uitkomt (jonge tot halfrijpe snede)? Overrijp gras geeft slechte conservering en lage voederwaarde.
- Kijk naar het diersoort: paarden krijgen geen natte kuil of voorjaarsgras in grote hoeveelheden; kalveren in de eerste weken krijgen geen ruwvoer als basis.
- Monitor herkauwactiviteit: kauwen je dieren voldoende (voor rundvee: 60–65 slagen per brok)? Zo niet, bekijk of er extra structuur nodig is.
- Wacht veiligheidstermijnen af: geen gras voeren of weiden kort na bemesting met drijfmest of kunstmest.
- Bij twijfel over kwaliteit: laat een voeranalyse uitvoeren via een erkend laboratorium (zoals Eurofins Agro of Trouw Nutrition Benelux). Een kuilboor geeft een representatief monster.
- Bij gezondheidsproblemen na voeren: raadpleeg een dierenarts of diervoedingsspecialist. Denk aan NVWA als er vragen zijn over wettelijke voernormen voor schapen en geiten.
Als je twijfelt over de rantsoenopbouw of de veiligheid van een specifieke partij gras, is een voeranalyse de snelste manier om zekerheid te krijgen. Als je twijfelt over de geschiktheid van lavameel gras in je rantsoen, is het extra belangrijk om de voederwaarde en veiligheid te laten checken via een analyse. Dat kost relatief weinig en geeft je de voederwaardecijfers (NDF, ADF, ruw eiwit, drogestof, pH) die je nodig hebt om het rantsoen goed in te stellen. Een diervoedingsspecialist of dierenarts kan vervolgens helpen om die analyse te vertalen naar concrete aanpassingen in het rantsoen.
FAQ
Hoe weet ik of vers gras ook echt voldoende structuur levert als ruwvoer?
Kijk niet alleen naar het eiwit, maar vooral naar de vezel- en structuurwaarde. In de praktijk help je jezelf door te letten op rijpheid (jonge, heel malse zode is minder structuurrijk) en door vers gras te combineren met een vaste structuurbron (hooi of stro). Bij dieren die gevoelig zijn (melkvee rond afkalven, paarden in het voorjaar) is een consistente mix belangrijker dan een maximale hoeveelheid vers gras.
Telt weidegras ook mee als ruwvoer in de Skal 60%-regel?
Ja, vers weidegras valt onder ruwvoer binnen de biologische context, zolang het in het rantsoen daadwerkelijk als ruwvoerbron wordt gevoerd. Let wel op dat je rantsoenberekening klopt met droge stof, want ’op het oog’ kan leiden tot onderschatting van het werkelijke aandeel ruwvoer in kg drogestof.
Kan ik gras als ruwvoer voeren zonder kuil of hooi, bijvoorbeeld alleen vers gras?
Bij herkauwers kan dat, maar het lukt alleen stabiel als het gras genoeg vezel en voldoende opname toelaat. Op momenten met vooral jong, eiwitrijk en suikerrijk gras, moet je vaak bijsturen met structuur (bijvoeren van hooi of stro) om pensverzuring te voorkomen. Paarden red je meestal niet alleen met weidegras, omdat het moeilijk is om een minimale dagelijkse structuurbron te garanderen.
Wanneer moet ik grasrantsoenen juist afbouwen in plaats van opschalen?
Bij overgang van winter- of droogvoer naar vers voorjaarsgras is opschalen het moment waar je risico loopt op pens- en darmproblemen. Begin daarom geleidelijk (opbouw over dagen, niet in één keer) en let op herkauwactiviteit, mestconsistentie en eetlust. Als je merkt dat dieren minder herkauwen of diarree krijgen, is afbouwen en herintroduceren met meer structuurbron vaak de juiste eerste stap.
Welke hoeveelheid is ‘voldoende’ ruwvoer voor melkvee, en hoe check ik dat snel?
Een globale indicatie is dat ruwvoer in droge stof doorgaans het grootste deel van de opname levert, maar ‘voldoende’ hangt sterk af van lactatiestadium, productieniveau en kwaliteit van je kuil. Een snelle praktische check is kijken naar herkauwbewegingen bij krachtvoer (als dat duidelijk lager ligt dan je gewend bent, ontbreekt er vaak structuur). De definitieve controle krijg je met een voermanalyse en een herberekening van NDF/ADF in het totaalrantsoen.
Waarom is een hoge pH of juist een te lage pH in graskuil een probleem?
De pH is een teken van hoe goed de melkzuurgisting is verlopen. Te hoog wijst op onvoldoende conservering, waardoor je meer kans krijgt op ongewenste microbiologie, vaak met slechtere stabiliteit en meer risico op schimmels bij voeren. Te laag kan samenhangen met andere problemen (bijvoorbeeld snelle gisting met ongunstige samenstelling) en geeft zeker geen garantie dat de rest van het kuilproces goed verliep. Bij twijfel: behandel de partij als ‘onzeker’, voer apart en beoordeel geur, aanrijdspoor en broedgedrag aan de kuil.
Wat is een goede aanpak als één snede gras duidelijk van kwaliteit verschilt (bijvoorbeeld natter of later gemaaid)?
Voer het niet automatisch door dezelfde voerlot als je ‘standaard’ partij. Inkuilen of bewaren als aparte partij en later apart beoordelen helpt om te voorkomen dat een te natte snede je conservering en rantsoenaanpassing omver trekt. Door apart te voeren kun je ook gericht doseren, bijvoorbeeld met meer of minder krachtvoer en extra aandacht voor structuur.
Is gras-ruwvoer met zichtbare schimmel altijd volledig af te keuren?
Als je duidelijke schimmel ziet of een afwijkende, sterke boterzuurgeur ruikt, behandel het dan als niet veilig voor de hele partij. In de praktijk werkt ‘alleen het aangebroken deel weghalen’ niet betrouwbaar bij mycotoxinerisico, omdat de verontreiniging zich verder kan verspreiden dan wat je direct ziet. Het verstandigst is de partij te laten beoordelen en de verdachte kuil niet mengen in het reguliere rantsoen.
Kan ik gras op stam ook als ruwvoer rekenen, en wat maakt het anders?
Ja, staand gras kan ruwvoer zijn, maar de teelt- en oogstomstandigheden bepalen of je uiteindelijk genoeg structuur en een acceptabel drogestof- en conserveringsprofiel haalt. Het risico bij ‘gras op stam’ is dat je minder controle hebt op rijpheid (te oud of te jong), en dat bepaalt direct je vezelgehalte en voederwaarde. Als je het inkuilt, is een goede drogestofinschatting en scherp moment van maaien essentieel.
Zijn er risico’s bij het voeren van gras aan dieren die gevoelig zijn voor suikerschommelingen?
Ja. Voorjaarsgras kan suikerrijk zijn, en na zonnige groeiperiodes kan het suikerprofiel hoger liggen. Bij paarden met EMS en bij melkvee net na afkalven kan dat risico verhogen op problemen. Wanneer je niet zeker bent, is het meten van suiker of het voeren van een gecontroleerde mix (met meer structuurbron en minder ‘pure’ voorjaarsopname) vaak een praktische veiligheidsmaatregel.
Hoe ga ik om met mogelijk residu van middelen zoals glyfosaat in gras?
Als een perceel recent is behandeld, behandel het gras als ‘onzeker’ tot je duidelijkheid hebt. Vraag bij voorkeur naar informatie over de behandeling en houd je aan wachttermijnen die voor diervoer relevant zijn. Bij twijfel over geschiktheid is een voeranalyse of advies van een specialist de snelste manier om risico te verkleinen, vooral bij dieren die extra gevoelig zijn.
Helpt een voeranalyse alleen bij veiligheid, of ook bij de juiste opbouw van het rantsoen?
Bij beide. Een analyse levert niet alleen informatie over veiligheid en conserveringskenmerken (zoals pH), maar ook over de cijfers die je nodig hebt om het rantsoen te finetunen, zoals NDF en ADF voor structuur. Met die gegevens kun je beter bepalen hoeveel krachtvoer je echt nodig hebt en of je vers gras moet aanvullen met hooi/stro om penswerking stabiel te houden.

Praktische gids voor glyfosaat op of tegen gras in NL: wanneer veilig inzetten, productkeuze, drift voorkomen, nazorg en

Wat is gras op stam, hoe het eruitziet en hoe je het in NL tuin goed verzorgt, plus problemen en keuzehulp.

Praktische gids om suiker in gras te meten met eenvoudige indicaties en thuismetingen, plus stappen voor onderhoud en be

